To be or not to ? Zijn of niet zijn. Dat is de vraag. Maar kan je wel ‘niet zijn’? Je hebt een lichaam en je bent er nou eenmaal. Als je theater speelt, als je in het publiek zit, als je in de supermarkt staat. Toch denk ik wel degelijk dat er een verschil is tussen ‘zijn’ en ‘niet zijn’.  Ben en handel je waarachtig, of niet? Met ‘zijn’ bedoel ik een staat waar in je bent. Een werkwoord, aanwezig zijn. Op een bepaalde manier jezelf zijn en in je lichaam zijn. Ademen en samenvallen met jezelf. Je bent in het hier en nu, je bent alert.

Als theatermaker fascineert dit ‘zijn’ me. Ik bekeek het werk van een aantal voor mij inspirerende theatermakers om te kijken welke vormen van ‘zijn’ zij gebruiken in hun werk.

Mei en juni 2017 werkte ik mee aan De Wijksafari, van Zina geregisseerd door Adelheid Roosen. Deze safari vond plaats in Amsterdam Noord en was in samenwerking met De Academie voor Theater en Dans, met de naam Wijksafari maakt School.

Voor het maken van een Wijksafari zijn de acteurs twee weken bij hun ‘adoptie ouder’, een buurtbewoner, in huis.  De gesprekken gevoerd tijdens de adoptie zijn het uitgangspunt voor een scene die gemaakt wordt voor de voorstelling. Deze scene wordt gespeeld door de adoptieouder en de acteur en plaats van handeling is het huis van de adoptie ouder. Als publiek ben je op dat moment letterlijk op de plaats waar dat gesprek de eerste keer plaats vond, in dit geval in een thuis in de Banne of in Floradorp. Het publiek legt een route af langs verschillende huizen en plaatsten in de wijk. Zo krijg je een beeld van Noord.

Maar wat is nu echtheid binnen zo’n wijksafari. Dat fascineerde me. We ontmoeten mensen, krijgen een beeld van de wijk en van de verschillende logeerpartijen. Toch wordt er een keuze gemaakt in wat wij  als publiek te zien krijgen, er worden dingen weggelaten en dingen uitvergroot. Ik vind niet dat je kan zeggen dat de spelers alleen maar ‘zijn’. Ze spelen wel degelijk. Ze herhalen wat er was en spelen dus een versie van zichzelf. We kijken naar theater en ik vind dat je dat niet moet vergeten. Er is een verschil tussen de werkelijkheid, het complete echte ‘zijn’ van de bewoners en acteurs en wat wij zien in de Safari.

De realiteit krijgt een theatrale dimensie in de voorstelling omdat we alles bekijken binnen het frame van de Wijksafari.  Alles wat niet geënsceneerd is doet ook mee. Een mevrouw die oversteekt zal zonder dat zij dit weet in ene binnen de theatrale context vallen. Dit is een andere belangrijke vorm van ‘zijn’ die plaats vind in de Wijksafari. Alles wat gewoon ‘is’. Roosen zet dit heel bewust in. Elke voorstelling en zelfs elke route binnen dezelfde voorstelling is anders.

Alexandra Broeder maakt voorstellingen die meestal gespeeld worden door kinderen. In mijn tweede jaar op de Academie gaf zij een gastles en vertelde ze ons dat ze op de audities zoekt naar kinderen die niet acteren, maar die gewoon ‘zijn’.

Verschillende van haar voorstellingen, waaronder Candyland uit 2008 en Sweet dreams uit 2011 vonden plaats in een natuurgebied. Het publiek werd meegenomen, toegefluisterd en in de war gebracht door de kinderen, als in een droom. Het spel en de aanwezigheid van de kinderen in combinatie met de plek en het tijdstip was heel bizar. De voorstellingen hadden een hoog horrorgehalte. Dit absurde wist Broeder te creëren door de kinderen te laten ‘zijn’.

In 2017 maakte Broeder de voorstelling Mona, een monoloog geschreven door Griet op Den Beek en gespeeld door een elfjarig meisje.  In tegenstelling tot haar vorige werk was dit een wat klassiekere tekstvoorstelling die speelde in theaters. Broeder zette het meisje in als actrice. Naast dat ze een meisje van elf was, speelde ze ook een meisje van elf.  Maar kan acteren het ‘zijn’ in de weg zitten? Hier leek het acteren zelfs een bescherming van het ‘zijn’ van het meisje. Ik had pas het gevoel dat ik haar echt te zien kreeg toen ze verlegen wat onhandig het applaus in ontvangst nam. We zagen haar eigen fysiek, ze was helemaal in het hier en nu en maakte contact met ons. Wat is de meerwaarde van de voorstelling laten spelen door een jong meisje en niet door een actrice als we haar eigen ‘zijn’ te weinig zien?

De essentie van performance kunst is het ‘zijn’ van de performer in het moment. Er gebeurt echt iets met het lichaam van de performer op dat moment en het gaat niet meer om spelen.

Een extreem voorbeeld hier van is Standing Man. Op 18 juni 2013 stond choreograaf Erdem Gündüz zes uur lang stil op het Taxim plein in Istanbul, als reactie op het geweld van de regering tegen protesteerders. Anne Breure, artistiek directeur van het Veemtheater, waar performance een belangrijke plek krijgt, schrijft over Standing Man in haar proefschrift ‘A space of appereance.’ Breure vertelt wanneer performance een space of appereance kan creëren; een ruimte waar men het met elkaar ons eens mag zijn, die op dat moment buiten het regime valt. In het geval van Standing Man; De Turkse regering wist op dat moment niet hoe te reageren. Zijn daad viel buiten het regime, het was niet verboden maar wel degelijk een protest. De politie wist niet wat te doen en stond zodoende stil naar hem te kijken. Ze gingen mee in zijn performance.

 

Het enige wat hij deed was staan, en daarmee ‘zijn’.  Deze space of appereance kreeg een theatercontext; het plein was zijn podium en de wereld zijn publiek. Toch nam hij een enorm risico. Zijn lichaam en zijn echte ‘zijn’ liep een groot gevaar. Het ‘zijn’ dat hij liet zien ging letterlijk over leven en dood. Van al mijn voorbeelden gaat deze misschien nog wel het meest over ‘to be or not to be’ zoals Shakespear dat bedoelde toen hij Hamlet schreef. Gaat dit niet te ver? Voor mij is theater een weergave van… en niet echt de werkelijkheid.

Kan het ‘zijn’ dat ik zoek dus nooit helemaal echt zijn? Of kan het wel echt zijn, maar alleen in een niet echte, theatrale context?

In Het is/It is laat Marijn de Lange verschillende mimetheatermakers in tweegesprek gaan over de rol van het lichaam in hun theaterwerk. Sanne van Rijn zegt in haar gesprek met Jan Langendijk:  “Ik ben lang in mijn werk op zoek geweest naar objectiviteit. Echte menselijkheid tonen, maar op een indirecte manier. Iets in een hele strakke vorm zetten en dan de dingen er onbedoeld door heen laten sijpelen.” Ik interpreteer dit tonen van menselijkheid ook als het tonen van ‘zijn’. Met deze strakke, theatrale vorm laat ze juist de niet getheatraliseerde lichamen zien. Het eigen ‘zijn’ van het lichaam sijpelt er door heen; lange benen, eigen gebaren, kromme schouders. In de vorm zien we hoe de spelers ‘zijn’, ze hoeven er niets voor te doen.

Ik wil dit artikel graag afsluiten met een citaat van Jetse Batelaan, die misschien wel precies verwoordt waar ik naar op zoek ben, ook in It is/Het is. “Je weet wat je doet, maar het overkomt je toch. Het is een manier van aanwezig zijn waarin je zelf niet meer sturend bent over je lichaam. Waarin de zintuigelijke ervaring van wat er is het lichaam stuurt. Dat is de flexibiliteit van het lichaam waaruit ik wil werken. Het is een wankelpunt.” To be or not to be.