Ik en mijn klasgenoot Hannegijs zijn voor zes weken naar Johannesburg gekomen om stage te lopen in ‘The Centre fort the less good idea’, waar kunstenaars een interdisciplinair maakonderzoek aangaan en hun bevindingen laten zien op een festival. William Kentridge zette dit Centre in de wijk Maboneng op, waar experimenten mogen plaats vinden. Bronwyn lace, de animator van het festival, is onze stagebegeleider, bron van Zuid-Afrikaanse informatie en bovenbuurvrouw.

Op zondagochtend 18 maart kwamen we aan. Een ubertaxi bracht ons in een half uurtje van het vliegveld naar Maboneng. De skyline van Joburg doemde op.  Ik zag veel groen, mensen die langs de weg liepen en plots overstaken, een gemeenschap in witte gewaden, billboards en afval. Via een straat waar van ik schrok en dacht ‘moeten we het raam dicht doen?’ kwamen we al op de onze: Foxstreet. Daar was drukte en gezelligheid.  Zondag werd gevierd met een fanfare en dansende mensen. Alsof we in ‘More sweetly play the dance’ terecht waren gekomen. Het kunstwerk van William Kentridge dat misschien wel de reden is dat ik hier ben.

We slapen in Main Street Live, een fabriek omgebouwd tot hotel, kunstgalerie en woonplek, op Foxstreet. Heel hip. Maboneng is de afgelopen jaren flink verbeterd. Op Foxstreet lopen bewakers rond die zijn ingehuurd door de gemeenschap. De straten om de onze heen zijn te gevaarlijk voor ons, maar hier is het gezellig en we hebben al veel mensen ontmoet. Die stiekem of openlijk foto’s van ons maken, een praatje of gewoon gedag zeggen. De bar hier beneden is nu al onze stamkroeg, waar we ook met andere reizigers zijn geweest.

Toch is Johannesburg de meest intimiderende  stad waar ik ooit geweest ben. Het voelt gevaarlijker dan Sao Paulo of Kathmandu. Het is zo groot en overweldigend en het lijkt net alsof iedereen continue alert is. Mensen drukken ons op het hart heel voorzichtig te zijn. Vanuit ons appartement hoorden we afgelopen week hoe een vrouw gewelddadig overvallen werd op straat.

De eerste dag hier was een toeristendagje, met een bezoek  aan The top off Africa en het Apartheidmuseum. Onderweg werd onze Uber aangehouden door de politie. Een situatie die ik absoluut niet kon peilen… Ze doorzochten onze tassen en toen mochten we door.

The top off Africa is een gebouw waar je vanaf de 50ste verdieping heel Joburg kan zien. Boven was niemand. Het café en de giftshop waren gesloten en maakte een wat tragische indruk. Maar het uitzicht was spectaculair. Wat een stad. Grof gebouwd, alles vierkant. Hoge en lage gebouwen, veel auto’s. Was die buiten hangt. Grafiti. Armoede.

Het Apartheidmuseum maakte grote indruk. De foto’s, de verhalen. Het ongelofelijke dappere vechten van mensen tegen de apartheid, met opsluiting en soms dood tot gevolg. Ik kreeg willekeurig een kaartje met ‘Blanke’ en moest via die ingang naar binnen. Hannegijs had ‘Nie Blanke.’ Wat is deze geschiedenis kort geleden. En wat lijkt er nog afgrijselijk veel ongelijkheid overgebleven.

Bronwyn vertelde ons een verhaal dat eigenlijk net zoveel indruk maakte als het Apartheidmuseum zelf: Twee broers hebben het museum gefinancierd, en in ruil daarvoor mocht hun pretpark, volkomen absurd naast het museum, open blijven. Nou komt het schrijnende: deze broers hebben hun rijkdom verworven met het verkopen van huidbleekmiddelen tijdens de apartheid. Geld dat verdiend is met het witter maken van mensen, financierde het herdenkingsmuseum. Wat nu heel veel geld oplevert trouwens. Aan deze broers.

Kortom: Johannesburg is nogal intens. Ik ben benieuwd hoe ik dat ga zien in de kunst die hier gemaakt wordt.