Mijn tweede week in The Centre for the less good idea is voorbij. Ik ben iets meer gewend in Johannesburg en voel me zekerder in Maboneng.  Op dat hele kleine stukje straat waar we ons op bewegen, maar toch. Het is mooi weer geweest en dan verandert deze straat in een soort stukje  Barcelona en denk je ‘Voelde ik me hier zo onveilig?’ .

Onze week begon met een open repetitie van één van de projecten voor het festival; Joining room. Op allerlei (visuele) manieren maken daar verschillende kunstenaars geluid. Van het klappen met hun handen tot typmachines die muziek maken. Het was nogal overweldigend en veel, maar er zaten toffe dingen tussen. Drie gasten uit Madagaskar die met ons werken aan de overkant aan het project Desert (en waarvan één deze prachtige bovenstaande bomen schilderde) waren niet overtuigd. “Noise.” Vonden ze het.

Met hen dronken we deze week wat biertjes en praatten we in vier talen over van alles en nog wat. Ze vinden het hilarisch dat ik vegetariër ben en al bijna net zo grappig dat Hannegijs en ik volgend weekend op safari gaan. “You’ll get so bored!”

Ook de (blijkbaar best wel grote Zuid-Afrikaanse acteur) Mndici, die de vader speelt in Desert, heb ik beter leren kennen. Hij kwam met verhalen over hoe het Market Theatre tijdens de apartheid als enige plek witte en zwarte acteurs samen op het podium zette, waaronder hem. Over hoe hij les kreeg van Peter Brook. Over hoe hij ‘gewoon’ twee pratende mensen wil zien op een podium, omdat niet alle African Theatre  ‘Singing and dancing’ hoeft te zijn.

Hij zong de melodie van ‘Hoor wie klopt daar kinderen’, lang geleden van een zangdocent geleerd. ‘It’s a Dutch children song right, you know it?’ We probeerden hem Sinterklaas en de volgende twee regels van het liedje uit te leggen: ‘Ook al ben ik zwart als roet, meen het toch goed..’  Absurde situatie, belachelijke traditie.

Tijdens het werken in The Centre zag ik steeds enorme ingepakte operadecor stukken, klaar om naar Europese landen vervoerd te worden, uit de studio van William Kentridge komen. Ik kon twee weken lang niet wachten hem te ontmoeten en was teleurgesteld dat dit nog niet gebeurd was. En toen woensdagavond, toen Hannegijs en ik met Noa, filmmaker en de enige vaste werknemer in het Centre, aan het klooien waren met licht, kwam hij binnen. Hij en Bronwyn gaven daar die avond een presentatie over The Centre aan een groep festivalprogrammeurs op masterclass van over de hele wereld. Hij moest lachen om hoe wij bezig waren, stelde zich voor, gaf wat advies en ging glazen en wijn halen voorbij de presentatie.

Hannegijs en ik woonden de presentatie bij. Ik realiseerde me wat voor unieke plek The Centre is, waar kunstenaars betaalt incubatie ruimte krijgen zonder verplichtingen. De programmeurs waren daar nog het meest over verbaasd.

Werk dat hier gemaakt wordt gaat tegen het (zoals Mndici dit noemde) ‘Popcorn’theater in: het is niet snel, makkelijk en commercieel. Kunstenaars worden uitgedaagd hun gewoontes los te laten. In het Centre geloven ze dat als je makers deze ruimte geeft, ze daar later de hele community beter mee zullen maken.  Maar zonder de financiering van William zou dit niet mogelijk zijn.

Annet Lekkerkerker, zakelijk directeur van het Holland Festival, was een van de coaches van de programmeursmasterclass. Zij was bij de presentatie en had de dag door gebracht in Johannesburg omdat het Holland Festival William Kentridge gevraagd heeft als één van de artistiek curatoren voor het festival van 2019. Voor deze editie gaat het Holland Festival ook werk uit het Centre naar Amsterdam halen. Het was heel leuk om Annet te ontmoeten.  We hadden dezelfde ervaring van dit enorme, overweldigende Joburg.

Tussen al deze gebeurtenissen door hebben we geholpen bij Desert waar we ook konden. Met het souffleren van tekst tot het opbouwen van de set en figureren in het film werk. Het is tof om alles mee te mogen maken, maar we hebben zin om zelf aan te slag te gaan. We gaan een performance maken rond de vraag: Wat is de betekenis van mijn eigen aanwezigheid op een plek?