Olifanten zijn mijn nieuwe lievelingsdieren. Zulke gracieuze dieren voor hun enorme omvang. Dat heb ik ontdekt in het weekend van 7 april in het Krugerpark. Het was een spectaculair weekend, met prachtige dieren en natuur. We sliepen er in een lodge en twee nachten in een tent. We zijn met verschillende gidsen op pad geweest. De ene keer lopend en dan weer met een jeep door de bush. Terug in Johannesburg hadden we een inspirerende, drukke week. Het derde seizoen van The Centre for the less good idea vond plaats. Ik had een ongelooflijk belangrijke en nobele taak in Desert (de voorstelling waar we het meest bij betrokken zijn geweest): beamermeisje. Van de ene op de andere dag werd het hier winter en kouder en grijs. We spraken afgelopen deze week met vier verschillende en allemaal even inspirerende mensen, over kunst en educatie. De eerste die we spraken was Clara Borne. Zij  is regisseur en docent op het Market Lab. Dat is  een school en onderdeel van het beroemdste Theater van Johannesburg: The Market Theatre. We ontmoetten haar bij The Centre en werden toen uitgenodigd om bij haar langs te komen. Op haar kantoor in het Market Lab vertelde ze ons over het ontstaan van het Market Theatre in 1976, midden in de apartheid. Het is een theater in een markthal en dat was een van de weinige plekken waar toen zwart en wit gemengd mocht komen. Het was een plek van protest en vermenging. Ze vertelde hoe het Lab ontstond uit de behoefte goed, maar praktisch theater onderwijs te bieden. We spraken met haar over de inhoudelijke  thema’s waar haar studenten nu mee bezig zijn. De geschiedenis van de apartheid is blijkbaar een populairder thema dan hedendaagse onderwerpen. Die zijn ingewikkelder, genuanceerder. Ze vertelde ons dat het een ‘gift and a loss’ is om te werken in een land als Zuid-Afrika waar zoveel gebeurt. Zo is er altijd een drive, maar lijkt je als kunstenaar geen werk te mogen maken enkel voor ‘it’s beauty.’ Clara zei dat ze hierom The Centre waar wij nu zijn zo’n geweldige plek vind. De tweede die we spraken, op donderdag, was Gerard Bester, in het Hillbrow Theatre. Hillbrow is een buurt hier vlakbij. De wijk is oorspronkelijk gebouwd voor Europese migranten maar is sinds deze niet meer naar Zuid-Afrika komen en weg verhuisd zijn ernstig verloederd. Het is een heftige buurt, waar Gerard fantastisch werk doet. Met de stichting ‘Outreach foundation’, geven ze workshops aan de bewoners van Hillbrow. Tot lichte irritatie van Gerard is de stichting nog steeds eigendom van de Duitse Lutheraanse kerk, de oorspronkelijke oprichter. In het theater, een bruine sombere jaren ’70 zaal, zagen we een groep jongeren repeteren. We ontmoette er een regisseuse die een voorstelling maakt met de mensen van het bejaarden-tehuis en kinderen. We zagen op de posters  in de gang namen staan van de mensen met wie we nu werken in The Centre. Mensen die blijkbaar ook in deze sociale projecten hun aandeel hebben gehad. Ik kon zien hoeveel er gebeurd in het Hillbrow Theatre en hoeveel dit betekent, maar ook met hoe schrijnend weinig geld ze dit moeten doen. Gerard, een blanke man geboren en getogen in Hillbrow, vertelde ons dat ze een Passionplay hadden gemaakt met Jezus als zwarte vrouw. Hij legde uit hoe hij de boel draaiende houdt, maar de keuze heeft gemaakt om zelf niet te regisseren. Hij leek bijna te vinden dat hij dat als blanke man niet mocht. Diezelfde middag spraken we met Marcus, de man van Bronwyn, animator van het festival in The Centre en onze stagebegeleider. Ze wonen een verdieping boven ons in Main Street Life en we zijn er al een paar keer geweest om koffie te drinken. Meestal praten we dan met Bronwyn, bouwt hun vijf-jarige dochter de kamer om tot knuffelhotel en zet Marcus de koffie. Maar we waren ook benieuwd naar zijn praktijk, aangezien hij community art maakt. Het werd een ontzettend inspirerend gesprek. Marcus maakt zelf en biedt tegelijkertijd andere kunstenaars de mogelijkheid om public art te maken. Centrale vraag is ‘How do you change your environment, and the environment of others?’ Soms doet hij dit met een conceptueel kunstwerk. Hij is nu bijvoorbeeld in Amsterdam om te praten over een werk dat hij gaat maken voor het Amsterdam Light Festival. Soms is zijn werk ook zo praktisch als het plaatsen van bankjes of speeltoestellen in een wijk. Vragen die hij stelt zijn: Hoe betrek je de community in wat je doet? Hoe gebruik je het gemeentesysteem zo dat je kan maken wat je wil? Wat ik heel interessant vond was dat hij zei dat hij het in eerste instantie voor zichzelf doet. “I try to make sense of my own world.” Hij is kunstenaar en dat hij andere daar mee helpt is heel mooi meegenomen. Ik vond zijn benadering heel straight. Hij heeft een Duitse achtergrond, maar is hier geboren en getogen. “I am a foreigner in my own home.” Hij legde ons uit hoe dit altijd terugkomt in zijn werk. Op vrijdag nam Bronwyn ons mee naar haar eigen studio, waar ze werkt als beeldend kunstenaar als ze niet aan de slag is als animator van The Centre. “Things wich used to have life fascinate me.” Op dat moment was ze bezig één enorm skelet in elkaar te zetten van allemaal verschillende botten van dieren die ze bewerkt met goud. “I think about the difference between air and breath, about the difference between brains and mind.” Ze liet ons foto’s zien van pilaren die ze maakte voor een oliebedrijf, gemaakt enkel van de meest schadelijke olie bijproducten. Ze vertelde hoe ze in Wenen op residentie bij het National History Museum dieren leerde ontleden. Hoe ze later een film maakte van een uil die verteerde, in combinatie met rouwzang uit verschillende culturen. Ik vond het heftig werk, maar heel mooi. Ze gaf toe dat ze haar eigen werk erg mist als ze lang voor The Centre werkt. En dat op dit moment al haar energie naar andere kunstenaars gaat.